voor onderzoek van onderwijs, opleiding, opvoeding en jeugdhulp wetenschappelijk, onafhankelijk en betrouwbaar verbonden aan de Universiteit van Amsterdam

Irma Heemskerk

Aanpak voor het ‘jongensprobleem’ in het onderwijs: feit en fictie

ter ere van het afscheid van Marja van Erp

 

Tot het begin van de jaren negentig stonden meisjes op achterstand in het onderwijs. Geleidelijk is die achterstand uit het verleden weggewerkt. Meisjes lijken succesvol hun weg te hebben gevonden in het voortgezet en hoger onderwijs. De kansen zijn gekeerd en nu staat het ‘jongensprobleem’ volop in de aandacht.

 

Als het gaat om het gemiddelde eindexamencijfer van jongens en meisjes in het voortgezet onderwijs, dan zijn er nauwelijks verschillen zichtbaar, ook niet als je let op vakspecifieke prestaties. Maar wie verder kijkt, ziet wel verschillen in de schoolloopbanen van jongens en meisjes: jongens komen vaker terecht in het speciaal onderwijs, zijn vaker voortijdig schoolverlaters, blijven vaker zitten, stromen meer af naar een lager onderwijstype, en zijn ondervertegenwoordigd in het hoger onderwijs. Er is dus inderdaad aanleiding tot zorg. Velen zijn op zoek naar verklaringen en onderliggende oorzaken zodat een aanpak kan worden ontwikkeld voor onderwijs dat beter aansluit op ‘de behoeften van jongens’. In de haast om het ‘jongensprobleem’ te tackelen, worden echter nogal snelle conclusies getrokken. Ik betwijfel wie daarmee straks geholpen is.

 

‘De feminisering van het onderwijs’ is de eerste populaire verklaring voor het jongensprobleem: jongens gedijen niet in het onderwijs vanwege de vele vrouwelijke leerkrachten. Sterker nog, er zijn mannen voor de klas nodig om het tij te keren.

Deze redenering verbindt het gegeven dat er momenteel veel vrouwen in het onderwijs werken oorzakelijk met de ‘jongensproblematiek’. Die verklaring gaat echter voorbij aan het feit dat jongens het in het basisonderwijs even goed doen als meisjes, terwijl juist daar het percentage vrouwelijke leerkrachten het grootst is. In het voortgezet en hoger onderwijs is er meer evenwicht in mannen en vrouwen voor de klas, maar gaan de schoolloopbanen van jongens en meisjes uit de pas lopen. Even zo vaak als ‘de feminisering van het onderwijs’ naar voren wordt gebracht als een negatieve factor voor jongens, wordt dit beeld weerlegd in wetenschappelijk onderzoek dat laat zien dat het niet de sekse, maar de kwaliteit van de docent is, die ertoe doet. De oplossing zoeken in meer mannelijke leerkrachten is dus te kort door de bocht. Bovendien is het niet realistisch omdat er -zeker op de korte termijn- geen enkel zicht is op een toenemende belangstelling van mannen voor het leraarschap in het basisonderwijs. Het lijkt een stuk vruchtbaarder de focus te richten op een goede didactische aanpak die zowel door mannelijke als vrouwelijke docenten kan worden toegepast. Ik bestrijd overigens niet dat leerlingen baat hebben bij een mix van leerkrachten voor de klas die een afspiegeling vormt van de maatschappij, bijvoorbeeld voor identificatiemogelijkheden en rolmodellen. Maar de relatie met leerprestaties is niet aangetoond.

 

Een tweede veel voorkomende gedachte is dat het onderwijs aangepast zou moeten worden aan de behoeften van jongens om ze beter gemotiveerd te krijgen en te houden. Zo zouden jongens meer dan meisjes behoefte hebben aan beweging, ze zouden meer structuur nodig hebben, en zeker ook meer vrijheid en uitdaging, enzovoort. Bij de zoektocht naar ‘wat jongens nodig hebben’, worden kleine verschillen tussen de seksen uitvergroot. Dat zorgt voor onwenselijke stereotypering: ‘echte jongens zijn druk, beweeglijk en houden niet van praten.’ Maar zijn rustige of verbaalvaardige jongens dan geen echte jongens? En in het verlengde daarvan: zijn drukke, onderzoekende meisjes dan geen echte meisjes?

Stilstaan bij verschillen tussen jongens en meisjes kán helpen om het repertoire van pedagogisch-didactisch handelen te verbreden, en daardoor beter in te spelen op verschillen tussen leerlingen in brede zin, dus ook op verschillen binnen de groepen meisjes en jongens. Daarbij is echter de insteek ‘boys will be boys’ te beperkend. Aansluiten bij waar leerlingen goed in zijn, is prima, maar onderwijs moet gericht zijn op ontwikkeling, grenzen verleggen en nieuwe dingen leren. Hoewel pubers, vooral jongens, moeite kunnen hebben met planning, impulscontrole en sociale vaardigheden zoals omgaan met elkaar, communiceren en samenwerken, kunnen –en moeten- zij dat allemaal wél leren. Ook als zij dat lastig vinden. Het zijn nu eenmaal belangrijke voorwaarden om later een positie te verwerven in de maatschappij. Het is voor alle leerlingen, meisjes én jongens, belangrijk om goed te leren plannen en organiseren, om te reflecteren op eigen gedrag en vaardigheden, te leren omgaan met competitie, grenzen te (durven) verkennen en out of the box te denken. Het kan zijn dat bij de ene leerling (j/m) didactische aanpak A het beste werkt, en bij de andere leerling (j/m) didactische aanpak B. Dáár ligt de uitdaging voor het onderwijs.

Goed onderwijs is niet gebaat bij een vereenvoudigde werkelijkheid of schijnoplossingen. Het helpt niet te blijven hangen in het nature-nurture debat, noch om terug te grijpen op seksestereotyperingen uit vorige eeuwen. Talenten van jongens én meisjes moeten ontwikkeld en benut worden. De beste aanpak daarvoor houdt rekening met de complexiteit van maatschappij, onderwijs en jongeren.