Kohnstamm Instituut participeert in de Kennisrotonde, loket voor snelle beantwoording van vragen uit de onderwijspraktijk


De Kennisrotonde van NRO heeft als doel de toepassing van bevindingen uit onderwijsonderzoek in de onderwijspraktijk te bevorderen. Onderwijsprofessionals kunnen vragen inbrengen en kennismakelaars van de Kennisrotonde, ervaren onderzoekers, formuleren een antwoord. Zij doen dat op basis van een beknopte analyse van de literatuur en/of raadpleging van deskundigen. Edith van Eck is een van de kennismakelaars. De context van het Kohnstamm Instituut zorgt daarbij voor brede expertise.

 

  • Wat is effectief leesonderwijs voor sbo-leerlingen met lees- en leerachterstanden en gedragsproblematiek?

    Veel zwakke lezers in de bovenbouw kunnen redelijk technisch lezen, maar hebben vooral problemen met het begrijpen van (meer complexe) teksten, mede als gevolg van een gebrekkige woordenschat en een lage intelligentie. In het onderwijs voor de bovenbouw moet dus nadruk liggen op tekstbegrip en niet op leessnelheid. Het is aan te raden dit onderwijs te laten aansluiten bij de belangstelling van leerlingen en te verbinden met leesteksten gericht op relevante vakinhouden. Intensieve begeleiding van kleine groepen is hierbij een belangrijke voorwaarde.

     

  • Wat zijn effectieve methoden voor leesbevordering in groep 4-8 van het basisonderwijs?

    Veel tijd besteden aan lezen is belangrijk voor de ontwikkeling van leesvaardigheid. Door de leesmotivatie van leerlingen te verhogen, zullen zij frequenter gaan lezen. Daardoor verbetert dus tevens hun leesvaardigheid (technisch lezen en begrijpend lezen). Scholen kunnen het lezen bevorderen door onder andere een grote variatie van boeken voor alle leeftijden aan te bieden. Dit aanbod moet aantrekkelijk zijn en niet alleen fictie (jeugdliteratuur) bevatten maar ook non-fictie (informatieve teksten). Verder is het van belang een leescultuur op school te ontwikkelen, leerlingen te begeleiden bij hun keuzes en tijd in te ruimen om leerlingen die zelf gekozen boeken te laten lezen. Succesvol leesbevorderingsbeleid beperkt zich echter niet tot geïsoleerde activiteiten, maar legt een relatie met het hele basisschoolcurriculum.

     

  • Over welke competenties moeten mentoren in het mbo beschikken om voortijdig schoolverlaten terug te dringen?

    Van mentoren wordt verwacht dat zij signalen van dreigende uitval onder studenten herkennen, studenten ondersteunen bij het ontwikkelen van een loopbaanperspectief en bij het aanleren van studievaardigheden. Mentoren bewerkstelligen een goed en veilig klimaat op school en in de klas. Dan ontstaat er ook binding en kunnen studenten in dialoog met betrokkenen reflecteren op hun loopbaan. Zo nodig kunnen mentoren ook externe zorg inschakelen.

     

  • Hoe kunnen leerlingen in groep 3/4 zonder lesmethode vlot en accuraat leren lezen met ontwikkelingsgericht onderwijs?

    Achterstanden in het aanvankelijk (technisch) lezen zijn moeilijk te voorkomen wanneer zonder methodische ondersteuning wordt gewerkt. Leerlingen die moeite hebben met het automatiseren van woordherkenning, moeten leesmateriaal krijgen dat daarvoor geschikt is. Daarnaast is het belangrijk dat zij gerichte instructie krijgen in de letter-klankkoppeling voor steeds moeilijkere woorden, beginnend bij de eenvoudige medeklinker-klinker(s)-medeklinker(mkm)-woorden. Als in ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO) geen methode wordt gebruikt, dan moet de school het leesmateriaal zelf maken. En het is noodzakelijk leerkrachten van groep 3 en 4 te professionaliseren in systematische instructie voor zwakkere lezers, gericht op het automatiseren van de woordherkenning in de meest brede zin.

     

  • Welke didactische aanpak van een programma voor brede talentontwikkeling heeft een positief effect op de motivatie van leerlingen?

    Talentontwikkeling staat hoog op de agenda in het voortgezet onderwijs, om leerlingen te motiveren en om ze beter te laten presteren. Daarbij gaat het zowel om ontwikkeling van schools talent als om brede talentontwikkeling. Belangrijke voorwaarde is een goed pedagogisch-didactisch klimaat in de klas. Leerlingen moeten zich veilig voelen, weten dat ze niet bang hoeven te zijn om vragen te stellen en dat het niet erg is om fouten te maken. De motivatie wordt bevorderd door leerlingen hun eigen leerproces in handen te geven en samen te laten werken, aan te sluiten bij de leefwereld van de leerlingen en te differentiëren.

     

  • Hoe moeten oudergesprekken worden ingevuld naar tevredenheid van zowel ouders als leraren?

    Scholen staan voor de taak om educatief partnerschap een goede invulling te geven. Basis daarvoor vormt een ouderbeleid waarin afspraken, procedures, overlegstructuren en verantwoordelijkheden duidelijk zijn. Daarnaast is het belangrijk dat de partners bereid zijn tot samenwerking met respect voor ieders inbreng. Oudergesprekken blijken effectief wanneer er ruimte is voor uitwisseling, er vertrouwen is en een focus op onderwijsondersteunend gedrag. Gespreksprotocollen, reflectie en intervisie kunnen ondersteuning bieden. En deze kunnen de benodigde partnerschapsvaardigheden van leraren helpen ontwikkelen.

     

  • Hoe kun je bevorderen dat meer vmbo-leerlingen kiezen voor bèta-techniek?

    Jongeren in het vmbo hebben een te beperkt beeld van techniek en een beeld dat slecht past bij hoe zij zichzelf zien. Veel jongeren zien onvoldoende dat techniek nuttig en interessant kan zijn. Ook heeft techniek het imago moeilijk te zijn en meer iets voor jongens dan voor meisjes. Toch kunnen technische opleidingen en beroepen aantrekkelijker worden gemaakt. Door leerlingen (technisch) zelfvertrouwen te laten ontwikkelen en hen in contact te brengen met allerlei facetten van techniek. Zo kunnen zij een breder en realistischer beeld ontwikkelen van techniek en van de benodigde competenties. Vervolgens is het belangrijk dat zij op die ervaringen reflecteren en ze verbinden met hun zelfbeeld in loopbaangesprekken. Ook de omgeving van de leerling moet daarbij worden betrokken. Ouders en leeftijdgenoten spelen een belangrijke rol bij loopbaankeuzen.

     

  • Welke factoren beïnvloeden het schoolloopbaansucces in het voortgezet onderwijs van leerlingen met gedragsproblemen en/of psychiatrische problemen die uitstromen uit het speciaal (basis)onderwijs?

    Intelligentie is een belangrijke voorspeller van schoolloopbaansucces in het regulier onderwijs. Maar het is de vraag of dat ook zo is voor kinderen met gedragsproblemen en/of psychiatrische stoornissen. Bovendien spelen executieve functies als impulsbeheersing en het reguleren van emoties, naast planning, organisatie en werkhouding ook een belangrijke rol. Een alternatief voor de IQ-test als voorspeller van schoolsucces voor deze leerlingen is de leerpotentieeltest of dynamische test. Bij dynamische tests krijgt de deelnemer tijdens het testen hulp. Of er wordt tussen twee testsessies een training gegeven. Dit geeft een goede indicatie van de ondersteuningsbehoefte van leerlingen in het vervolgonderwijs. Er zijn echter nog weinig van dergelijke tests beschikbaar voor de onderwijspraktijk.

     

  • Hoe kan de kwaliteit van pauzes in het basisonderwijs worden verbeterd?

    Het schoolplein verdelen in zones en het eerlijker verdelen van hotspots hebben een positief effect op de activiteiten van leerlingen tijdens de pauzes. Vooral jonge kinderen, meisjes en kinderen die op een ongestructureerd schoolplein weinig actief zijn, kunnen dan beter uit de voeten. Los spelmateriaal gecombineerd met instructie door de docent bevordert activiteiten van de leerlingen, evenals toezicht op het schoolplein en gerichte begeleiding. Daarnaast is van belang om leerlingen te betrekken bij de inrichting van het schoolplein. Dat levert interessante inzichten op, bevordert eigenaarschap en maakt dat leerlingen meer verantwoordelijkheid nemen voor hun gedrag op het plein.

     

  • Hoe kunnen leernetwerken van schoolleiders bijdragen aan hun professionele ontwikkeling?

    Leren in leernetwerken biedt een goede insteek voor de professionalisering van schoolleiders. Het is een vorm van informeel leren die tegemoetkomt aan hun leerwensen. Voorwaarden voor effectiviteit zijn: koppeling theorie en praktijk, intensieve, actieve opdrachten in de school en input van experts. Ook is het wenselijk dat de deelnemers de gezamenlijke leerdoelen, leerinhouden en werkvormen mede bepalen. Inhoud en werkwijze moeten worden afgestemd op de loopbaanfase van de deelnemers. Ervaren schoolleiders hebben andere behoeften en voorkeuren dan startende schoolleiders. Binnen zo’n gemengd netwerk kan het zinvol zijn op onderdelen te werken in homogene subgroepen of juist in koppels van ervaren en minder ervaren schoolleiders.

     

  • Hoe ontwikkelen zorgleerlingen zich in het reguliere basisonderwijs in taal, lezen, rekenen en sociaal-emotioneel, vergeleken met leerlingen in het speciaal basisonderwijs?

    Zorgleerlingen in het basisonderwijs scoren op rekenen/wiskunde, woordenschat en technisch en begrijpend lezen lager dan leerlingen in het basisonderwijs zonder ondersteuningsbehoefte en hoger dan de leerlingen in het speciaal basisonderwijs (sbo).

    Zorgleerlingen lopen deze achterstand niet in; de geboekte leerwinst tussen negen en twaalf jaar is voor de drie groepen vergelijkbaar. Met twee uitzonderingen: bij technisch lezen ontwikkelen leerlingen in het sbo zich sneller dan de andere twee groepen, bij begrijpend lezen blijft de leerwinst bij zorgleerlingen in het basisonderwijs wat achter.

    De sociaal-emotionele ontwikkeling van zorgleerlingen in het basisonderwijs respectievelijk in het sbo verschilt weinig. Ze scoren vergelijkbaar op welbevinden en op sociaal gedrag. Leerlingen in het sbo scoren echter een fractie hoger op werkhouding en motivatie dan leerlingen in het basisonderwijs. En ze hebben meer cognitief zelfvertrouwen.

     

  • Kan muziek(onderwijs) kinderen met taalontwikkelingsstoornissen helpen hun taalvaardigheid te verbeteren?

    Het trainen van muzikale vaardigheden kan nuttig zijn voor kinderen met taalontwikkelingsstoornissen. Gevoel voor ritme en toonhoogte helpt om de verschillende klanken in de taal te leren onderscheiden, maar ook syntactische structuren en intonatie te leren herkennen. Ook leent muziekonderwijs zich voor veel herhaling van woorden, klankopeenvolgingen (rijm, minimale klankverschillen) en zinstructuren. Rijmpjes en versjes helpen bij de opbouw van het talige geheugen, de woordenschat en de auditieve waarneming. Ten slotte draagt in groepjes samen zingen of muziek maken indirect bij aan de taalontwikkeling omdat het erg motiverend is en het samenwerken stimuleert.

     

  • Hoe kunnen scholen betrokkenheid van ouders versterken en wat vraagt dit van de leerkrachten?

    Educatief partnerschap biedt een goede insteek om de wederzijdse betrokkenheid van school en ouders te versterken. De school is leidend bij de vormgeving van educatief partnerschap. Voldoende ruimte voor inbreng van de ouders is echter een voorwaarde voor succes. Belangrijk is dat scholen en de leraren positief en onbevooroordeeld staan tegenover de betrokkenheid van ouders. Ook is het goed als zij oog hebben voor cultuurverschillen en verschillen tussen ouders. Zij moeten met die verschillende ouders kunnen communiceren en kritisch kunnen kijken naar hun eigen geschiedenis en rol daarvan in het contact.

     

  • Loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) en het effect op loopbanen van vo-leerlingen

    De ontwikkeling van een arbeidsidentiteit en van loopbaancompetenties zijn kernelementen van LOB. Dat leer je niet uit een boek. Het vraagt om een krachtige loopbaangerichte leeromgeving die keuzemogelijkheden biedt. En het vereist een begeleiding in dialoog, gericht op reflectie en betekenisgeving van de opgedane (werk)ervaringen. Deze werkwijze is in de praktijk echter nog geen gemeengoed.

     

  • Hoe kunnen scholen voorkomen dat kinderen vooroordelen ontwikkelen op basis van huidskleur, etniciteit of religie?

    Kinderen ontwikkelen al op jonge leeftijd stereotiepe beelden van zichzelf en anderen in relatie tot ras en etniciteit. Op welke manier kan het onderwijs kinderen bijbrengen dat iedereen gelijkwaardig is ongeacht iemands huidskleur? Aanpakken die contact tussen verschillende (etnische) groepen stimuleren, en die empathie en perspectief nemen bevorderen, blijken daarvoor een goede insteek. Dat kan zowel in een projectmatige aanpak als ingebed in het pedagogisch beleid.

     

  • Welk instrument kan de ontwikkeling van motivatie en zelfregulering in kaart brengen in het kader van gepersonaliseerd leren?

    In Nederland werken dertig scholen volgens het onderwijsconcept van Kunskapsskolan-onderwijs uit Zweden. Verondersteld wordt dat deze vorm van gepersonaliseerd onderwijs waarbinnen iedere leerling op een andere manier en in een ander tempo leert,  een positief effect heeft op motivatie en zelfsturing. Er is een aantal instrumenten beschikbaar voor het meten van motivatie en zelfsturing bij leerlingen in het voortgezet onderwijs. De Nederlandstalige versies van deze instrumenten blijken slecht toegankelijk voor de onderwijspraktijk.

     

  • Welke vormen van taakbeleid bestaan er in het vo en wat is het effect op de werkdruk?

    De verdeling van werkzaamheden binnen de school (taakbeleid) is zich van een kwantitatieve aanpak aan het ontwikkelen richting meer kwalitatieve aanpakken. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar omvang van de taken die een docent krijgt toebedeeld, maar ook wordt rekening gehouden met interesse, geschiktheid en persoonlijke omstandigheden van docenten. Verder wordt er regelruimte in het werk en in tijd gecreëerd. Ook krijgen docenten zeggenschap over invulling van het werk (professionele ruimte) en wordt de intensiteit van het werk meegewogen. Zo’n meer kwalitatief taakbeleid kan een gunstig effect hebben op de ervaren werkdruk door docenten.

     

  • Ict-competenties van leerlingen in het praktijkonderwijs

    Digitale geletterdheid is het minimum aan kennis en vaardigheden op ict-gebied dat nodig is om mee te doen in de maatschappij. Iemand is digitaal geletterd als hij of zij de computer kan gebruiken om digitale informatie te verzamelen, creëren en delen. Het onderwijs heeft een belangrijke taak bij de ontwikkeling van digitale geletterdheid bij praktijkschoolleerlingen. Zij kunnen deze competenties minder gemakkelijk zelf aanleren en krijgen van thuis minder begeleiding. Daarnaast is de ontwikkeling van hun mediawijsheid van groot belang.

     

  • Ervaringen met vakspecialisatie in het primair onderwijs

    Zelf als leerkracht taal en rekenen geven aan een eigen groep en daarnaast andere vakken geven aan meer groepen komt in het primair onderwijs weinig voor. Vakspecialisatie kent ook een nadeel: pedagogisch-didactische afstemming op de behoeften van individuele leerlingen is lastig als je leerlingen minder goed kent.