Evaluatie training potentieel gewelddadige eenlingen (PGE)
Onderzoek in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, NCTV
Onderzoek in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, NCTV
Glaudé, M., Meijer, J., Breetvelt, I., Felix, C. (2014).
RAPPORT: 917 ISBN: 90-6813-977-8
Hoe tevreden zijn de deelnemers over de training potentieel gewelddadige eenlingen (PGE)? Zijn de leerdoelen bereikt? Is sprake van transfer van kennis en kunde naar het dagelijks werk en naar de organisatie van de deelnemers? Verschillen deelnemers en niet-deelnemers in het kunnen signaleren en handelen met betrekking tot PGE’s? En is verbetering van de training PGE wenselijk? Dit zijn de kernvragen in het onderzoek dat het Kohnstamm Instituut in opdracht van WODC heeft uitgevoerd.
Het evaluatieonderzoek van de training potentieel gewelddadige eenlingen (PGE) van Bureau RadarAdvies is op verzoek van de Nationale Coördinator Terrorisme en Veiligheid/Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie door het Kohnstamm Instituut uitgevoerd. Dit alles naar aanleiding van enkele ernstige geweldsincidenten in Nederland, zoals de aanslag in Apeldoorn op Koninginnedag 2009. Achteraf kon worden geconstateerd dat deze incidenten gepleegd werden door zogenoemde ‘gewelddadige eenlingen’. Dat wil zeggen dat deze geweldsuitbarstingen gepleegd werden zonder medewerking van anderen.
De waardering voor de training is goed te noemen, zoals gebleken uit vragenlijstonderzoek; meer dan 80% van de respondenten is er (zeer) tevreden over.
Men zegt na de training in staat te zijn de signalen van mogelijk gewelddadige eenlingen eerder te herkennen en beter te begrijpen waarom en hoe individuen kunnen ontsporen en mogelijk toewerken naar een gewelddadige daad. Ook zeggen de deelnemers na de training de beschikking te hebben over bruikbare handreikingen over wat men kan doen en bij wie zij terecht kunnen voor het delen en melden van zorgen om een persoon. Daarnaast vindt men zichzelf nu in staat om met verworven inzichten de ketensamenwerking(en) effectiever en/of bewuster te maken voor wat betreft vroeg-signalering van PGE’s.
Dat wat de cursist heeft geleerd, wordt in de praktijk toegepast, althans als het gaat om het signaleren van een PGE. Het handelen (informatie inwinnen, zorg delen, etc.) na het signaal wordt echter niet beïnvloed door de training. Wel praten relatief veel deelnemers over de training met anderen binnen de eigen organisatie over de training PGE, maar tegen de verwachting in is het nog niet gelukt om tot een betere samenwerking met de ketenpartners met betrekking tot het handelen ten aanzien van PGE te komen.
De deelnemers aan het onderzoek werd gevraagd een aantal casussen te beoordelen door op een vijfpuntsschaal aan te geven in welke mate men een casus verontrustend vindt (van geen PGE tot zeker een PGE) en hoe men zou handelen. Eerstelijnsprofessionals die getraind zijn in het herkennen van PGE’s, vinden de casussen PGE die zij moesten beoordelen minder verontrustend dan niet-getrainden. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat cursisten hebben geleerd nuances aan te brengen en daardoor minder snel oordelen dat een bepaalde casus een PGE is.
Getrainden en niet-getrainden verschillen niet in hoe zij zouden handelen als zij menen met een PGE te maken te hebben.
De training is goed maar kan nog worden doorontwikkeld, dat concluderen de onderzoekers. Te denken valt aan: de ontwikkeling van een follow-up, niet alleen om te voldoen aan professionaliseringsbehoeften die de deelnemers nog hebben, maar ook ter bevordering van transfer, aan het goed formuleren van doelen en aan ontwikkeling van evaluatiecriteria en -instrumentarium. Ook kan de leersituatie worden heringericht door interactiever te werk te gaan en er kan meer aandacht worden besteed aan de samenstelling van het cursusmateriaal, bijvoorbeeld door het aan de orde stellen van risicotaxatie-instrumenten. Ten slotte dient er bij de selectie van toekomstige cursisten gelet te worden op diversiteit: een gemengde groepssamenstelling naar beroepsgroep blijkt een succesfactor.
Meer informatie:
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), Ministerie van Veiligheid en Justitie
Kohnstamm Instituut doet onderzoek op het gebied van onderwijs, opleiding, opvoeding en jeugdhulp. Wij zijn gespecialiseerd in opdrachtonderzoek en komen voort uit de Universiteit van Amsterdam.