Zicht op thuistaal
Achtergrondkenmerken van niet Nederlandssprekende ouders en hun kinderen in kaart gebracht
Achtergrondkenmerken van niet Nederlandssprekende ouders en hun kinderen in kaart gebracht
Het doel van dit onderzoek is om, op basis van data van het PIAAC-onderzoek uit 2023, meer inzicht te krijgen in de omvang van de groep kinderen die in Nederland opgroeit in een gezin waar Nederlands niet de thuistaal is. Ook beantwoordt dit onderzoek de vraag hoe de omvang van deze groep zich ontwikkelt ten opzichte van eerdere jaren. Tot slot biedt dit onderzoek meer inzicht in de achtergrondkenmerken van deze groep.
Op basis van de PIAAC-data uit 2023 blijkt dat ongeveer 12% van alle ouders in Nederland thuis geen Nederlands spreekt. Voor ouders met minderjarige kinderen ligt dit aandeel rond de 15%. Aanvullende bronnen zoals PISA 2022 en het peilingsonderzoek Mondelinge taalvaardigheid einde basisonderwijs (2019) laten een consistent beeld zien: 12-15% van de minderjarigen in Nederland groeit op in een gezin waar Nederlands niet de thuistaal is, wat neerkomt op circa 396.000 tot 495.000 kinderen. Ouders met een andere thuistaal hebben vaak een hoog opleidingsniveau, vergelijkbaar met Nederlandstalige ouders, maar het aandeel middelbaar opgeleiden is veel lager. Zij hebben minder vaak betaald werk en op het gebied van basisvaardigheden scoren deze ouders duidelijk lager dan Nederlands sprekende ouders. Gegevens uit PISA over de 15-jarigen laten vergelijkbare patronen zien: jongeren met een andere thuistaal hebben significant minder boeken in huis (het aantal boeken hangt sterk samen met latere kernvaardigheden) en volgen vaker opleidingen op een lager niveau dan leeftijdsgenoten die thuis Nederlands spreken.
In de afgelopen tien jaar is het aandeel ouders in Nederland dat thuis een andere taal spreekt dan Nederlands gegroeid, van 6,4% in 2012 naar 11,8% in 2023. Tegelijkertijd zijn hun basisvaardigheden op het rekengebied verbeterd. Voor Nederlandse taalvaardigheid daalde het aandeel ouders dat op niveau 1 scoort licht, maar niet significant. Ook de sociaaleconomische positie van ouders met een andere thuistaal is vooruitgegaan: meer ouders hebben betaald werk en het aandeel dat anders inactief is, is afgenomen. Het hoogste opleidingsniveau van deze groep is sterk gestegen; het aandeel hoogopgeleiden is bijna verdubbeld, terwijl het aandeel laagopgeleiden flink is gedaald. Internationaal vergeleken is het percentage ouders met een andere thuistaal in Nederland vergelijkbaar met andere landen en het OECD-gemiddelde. Het aantal 15-jarigen dat opgroeit in een gezin waar een andere thuistaal wordt gesproken, is in tien jaar tijd ook significant gegroeid, van 6% naar 13%. Deze trend zien we zowel in Nederland als in andere landen.
De gesproken thuistaal van ouders speelt een belangrijke rol in hun basisvaardigheden. Ouders die thuis geen Nederlands spreken, behalen over het algemeen lagere scores op de basisvaardigheden. Deze verschillen blijven zichtbaar, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, stedelijkheid, inkomen en arbeidsmarktpositie. Daarbij moet de kanttekening worden geplaatst dat PIAAC de basisvaardigheden in het Nederlands meet en dat deze lagere scores op basisvaardigheden niets zeggen over vaardigheden in de eigen moedertaal.
Bollen, I. & Stronkhorst, E. (2025). Zicht op thuistaal. Achtergrondkenmerken van niet Nederlandssprekende ouders en hun kinderen in kaart gebracht. Amstelveen: Kohnstamm Instituut. Rapport 25-5.
Contactpersoon:
Iris Bollen
Zie ook:
Buisman, M., Bollen, I., Jacobs, B., Huijts, T., Cornelisse, R., Van Guilik, N., Elshof, D., & Van Griensven, L. (2024). PIAAC 2023: Kernvaardigheden van volwassenen. Resultaten van de Nederlandse survey 2023. Amstelveen: Kohnstamm Instituut. Rapport 1143.
Zicht op thuistaal. Rijksoverheid
Kohnstamm Instituut doet onderzoek op het gebied van onderwijs, opleiding, opvoeding en jeugdhulp. Wij zijn gespecialiseerd in opdrachtonderzoek en komen voort uit de Universiteit van Amsterdam.