Samenstelling van de klas en cognitieve en sociaal-emotionele uitkomsten
PROBO-onderzoek in de onderzoekslijn ‘Van voorschools tot en met groep 8: thema’s uit het onderwijsachterstandenbeleid onderzocht’
PROBO-onderzoek in de onderzoekslijn ‘Van voorschools tot en met groep 8: thema’s uit het onderwijsachterstandenbeleid onderzocht’
Klassen in het basisonderwijs kennen een heel divers leerlingenpubliek. In de klas kunnen veel of weinig achterstandsleerlingen, zorgleerlingen en/of excellente leerlingen zitten, in allerlei combinaties. Maar waar verwacht zou worden dat ‘ingewikkelde’ heterogene klassen met allerlei soorten leerlingen samengaan met lagere cognitieve en sociaal-emotionele uitkomsten, blijkt daar feitelijk geen sprake van te zijn, eerder (in lichte mate) het tegendeel.
Op basisscholen moeten leerkrachten aan meervoudige verwachtingen voldoen: zij moeten voor kinderen uit achterstandsgroepen (autochtoon en allochtoon) een passend aanbod creëren, maar ook voor kinderen met extra ondersteuningsbehoeften (‘zorgleerlingen’) of voor hoogbegaafde (‘excellente’) leerlingen. Klassen in het basisonderwijs zijn wat dit betreft zeer wisselend van samenstelling. Verondersteld kan worden dat een grote mate van diversiteit in de klas het voor leerkrachten moeilijker maakt om op de leerbehoeften van verschillende (groepen) kinderen in te gaan (adaptief onderwijs te geven). Als dat zo is, zou een grotere diversiteit samen moeten gaan met lagere onderwijsopbrengsten.
Met secundaire analyses op gegevens uit het grootschalige COOL5-18 cohortonderzoek is nagegaan welke samenhang er is tussen de diversiteit in de klassamenstelling en de cognitieve en sociaal-emotionele uitkomsten bij de kinderen. De diversiteit is daarbij gemeten met het aandeel achterstandsleerlingen, zorgleerlingen en excellente leerlingen afzonderlijk én met verschillende manieren om deze aandelen te combineren. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de Programmaraad voor Beleidsgericht Onderzoek van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO).
De algemene uitkomst van het onderzoek is dat er maar weinig systematische effecten van de klassamenstelling van groep 5 of 8 op toetsscores voor Rekenen/wiskunde en Begrijpend lezen worden gevonden. Hetzelfde geldt voor de sociaal-emotionele variabelen cognitief zelfvertrouwen en taakmotivatie. En voor zover er al significante effecten worden gevonden, zijn deze erg klein.
Hieruit concluderen we niet dat het voor de leerkracht niet uitmaakt of hij/zij aan een homogene of juist heel diverse klas lesgeeft. Het kan wel degelijk nog zo zijn dat het voor leerkrachten lastiger is om aan sterk heterogene klassen les te geven en om verschillende groepen leerlingen tegelijkertijd van een passend aanbod te voorzien. Echter, ook als dat zo is, lijken leerkrachten er wel in te slagen om met een heel diverse klas vergelijkbare resultaten te bereiken als met een homogene klas. Voor de prestaties en overige onderwijsuitkomsten van de leerlingen blijkt de mate van heterogeniteit van de klas er niet of nauwelijks toe te doen.
Op enkele punten werden juist positieve (maar opnieuw kleine) relaties gevonden tussen heterogeniteit en onderwijsuitkomsten.
Kohnstamm Instituut doet onderzoek op het gebied van onderwijs, opleiding, opvoeding en jeugdhulp. Wij zijn gespecialiseerd in opdrachtonderzoek en komen voort uit de Universiteit van Amsterdam.