Ongediplomeerde doorstroom van vo naar mbo
Oorzaken, ondersteuningsbehoeften en verbetermogelijkheden in de regio Rijnmond
Oorzaken, ondersteuningsbehoeften en verbetermogelijkheden in de regio Rijnmond
Conijn, J.M., Vaessen, A., Stronkhorst, E. & Leprêtre, C. (2026)
RAPPORT: 1145 ISBN: 94-6321-220-5
Binnen de doorstroompuntregio Rijnmond is de afgelopen jaren een duidelijke toename zichtbaar van leerlingen die zonder diploma vanuit het vo doorstromen naar het mbo. Om deze ontwikkeling beter te begrijpen, is een verkennend onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek had drie hoofddoelen:
Het onderzoek richtte zich op twee groepen jongeren die zonder vo-diploma naar het mbo overstappen: jongeren onder de 16 jaar die starten in een entreeopleiding, en jongeren die vóór hun 18e zonder diploma instromen in mbo-niveau 2, 3 of 4. De studie bestond uit meerdere onderdelen:
Uit de data-analyse blijkt dat de ongediplomeerde doorstroom van vmbo- en havoleerlingen naar het mbo tussen 2016 en 2024 sterk is toegenomen. Vanaf 2020 is de stijging duidelijk zichtbaar. Bij vmbo-leerlingen zet deze groei ook na de coronaperiode door. De meeste vmbo-leerlingen stromen zonder diploma door naar mbo-niveau 2, terwijl havoleerlingen vooral instromen in mbo-niveau 4. Opvallend is dat sinds 2022 ook de instroom van 15- en 16-jarigen bij alle mbo-niveaus sterk groeit. Wat betreft studiesucces blijken deze jongeren, gemeten aan het behalen van een startkwalificatie, niet duidelijk slechter of beter te presteren dan reguliere mbo-instromers.
De overstap van vo naar mbo blijkt meestal het resultaat van een combinatie van zogenoemde push- en pullfactoren. Pullfactoren zijn de aantrekkelijke kenmerken van het mbo, zoals de praktijkgerichte manier van leren, het duidelijke beroepsperspectief en de mogelijkheid om sneller richting werk te gaan. Pushfactoren hebben vooral te maken met problemen waar leerlingen mee te maken hebben in het vo. Leerlingen lopen bijvoorbeeld vast door herhaald zittenblijven, motivatieproblemen, gedrags- of sociale problemen of doordat zij het onderwijs als te theoretisch ervaren. Een deel van de jongeren heeft (of ervaart) geen andere keuze dan een overstap naar het mbo. Dit geldt met name voor jongeren die overstappen naar entreeopleiding en mbo-2. Bij een overstap naar mbo-3 of mbo-4 lijkt de keuze vaker bewust en toekomstgericht.
Vo-scholen benadrukken als reden voor de overstap vooral motivatieproblemen en een mismatch met het onderwijsaanbod, mbo-instellingen wijzen op het vastlopen van jongeren in het vo en een gebrek aan passende begeleiding in het vo. Voor de recente groei in ongediplomeerde doorstroom noemen vo-scholen en mbo-instellingen onder andere door hen ervaren toenemende multiproblematiek bij leerlingen, mogelijke overadvisering in het po en een verbeterd imago van het mbo.
Vo-scholen geven aan de ongediplomeerde doorstroom doorgaans als een laatste optie te beschouwen, nadat andere interventies of alternatieve routes zijn geprobeerd. Mbo-instellingen kijken hier soms kritisch naar. Zij ervaren dat sommige vo-scholen leerlingen te snel doorsturen. Voor mbo-opleidingen is het bieden van een nieuw perspectief een belangrijke reden om jongeren zonder diploma toe te laten. Vooral wanneer leerlingen in het vo meermaals dreigen te blijven zitten of te moeten afstromen, kan het mbo volgens de geïnterviewde mbo-medewerkers een passender omgeving bieden.
De overdracht van leerlingen van vo naar mbo verloopt wisselend en hangt vaak af van bestaande contacten tussen scholen. Vo-scholen ervaren dat het contact met mbo-instellingen beperkt is en dat gedeelde informatie niet altijd wordt benut. Mbo-opleidingen geven juist aan dat de aangeleverde informatie regelmatig onvolledig is.
Veel geïnterviewde studenten ervaren bovendien dat zij vanuit hun vo-school weinig ondersteuning krijgen bij het verkennen van mogelijke vervolgroutes. Na de overstap ervaren zij op het mbo vaak juist meer begeleiding, bijvoorbeeld via mentoren of studieloopbaanbegeleiders.
Veel van de geïnterviewde jongeren die naar mbo-niveau 2, 3 of 4 overstappen, ervaren hun nieuwe opleiding als beter passend. Ze voelen zich gemotiveerder, waarderen het praktijkgerichte karakter van het onderwijs en ervaren meer autonomie. Ook geven zij aan zich meer gezien en serieus genomen te voelen. Bij entreeopleidingen is het beeld gemengder. Sommige studenten vinden het niveau te weinig uitdagend en hebben het gevoel dat zij te snel naar deze opleiding zijn doorverwezen. Tegelijkertijd waarderen zij vaak wel de persoonlijke aandacht en begeleiding op de entreeopleiding.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden verschillende aanbevelingen gedaan. Deze richten zich onder andere op het beter onderscheiden van groepen jongeren voor wie ongediplomeerde doorstroom wel of juist minder passend is, het verbeteren van ondersteuning in zowel vo als mbo, het versterken van de overdracht tussen beide onderwijssectoren, en het ontwikkelen van alternatieven voor jongeren die nu zonder duidelijke keuze naar het mbo doorstromen.
Conijn, J.M., Vaessen, A., Stronkhorst, E. & Leprêtre, C. (2026). Ongediplomeerde doorstroom van vo naar mbo. Oorzaken, ondersteuningsbehoeften en verbetermogelijkheden in de regio Rijnmond. Amstelveen: Kohnstamm Instituut. Rapport 1145.
Contactpersonen:
Judith Conijn
Annabel Vaessen
Esther Stronkhorst
Claire Leprêtre
Kohnstamm Instituut doet onderzoek op het gebied van onderwijs, opleiding, opvoeding en jeugdhulp. Wij zijn gespecialiseerd in opdrachtonderzoek en komen voort uit de Universiteit van Amsterdam.